ziekte van Crohn

Coloscopie in de praktijk


Een coloscopie is een endoscopisch onderzoek van het colon (dikke darm), dat gebruikt wordt bij de diagnose en soms ook de follow-up van de ziekte van Crohn. Hoe verloopt zo’n onderzoek precies?


Coloscopie en diagnose

Bij een coloscopie wordt er via de anus een soepele, met een kleine camera uitgeruste buis (endoscoop) ingebracht, om de dikke darm te onderzoeken. Een coloscopie kan niet alleen de plaats en de omvang van eventuele letsels nagaan, maar ook een heel klein stukje colonslijmvlies wegnemen. Microscopisch onderzoek van dat stukje weefsel kan met zekerheid de diagnose bepalen en bijvoorbeeld een differentiaaldiagnose stellen met CU (colitis ulcerosa).

Coloscopie en follow-up

Soms wordt een coloscopie ook toegepast om het verloop van de ziekte van Crohn (en CU) na te gaan, in de eerste plaats bij patiënten bij wie niet het ileum (of de kronkeldarm, het uiteinde van de dunne darm), maar wel het colon zwaar aangetast is, en het ziekteverloop al meer dan tien jaar duurt. Aangezien deze patiënten een verhoogd risico lopen op colonkanker, kan er om de twee jaar een coloscopie uitgevoerd worden om eventuele kankerletsels op te sporen. Een coloscopie kan ook uitsluitsel bieden wanneer de arts een andere behandeling of een operatie overweegt.

Hoe verloopt dit onderzoek?

De patiënt moet gedurende de drie dagen voor het onderzoek een residuvrij dieet (vooral zonder fruit, groenten en donker brood) volgen, zodat de colonwand zuiver is tijdens het onderzoek. De avond voordien moet hij ook een laxerend preparaat innemen. Vóór het onderzoek wordt hij even in slaap gebracht met verdovingsproducten, maar wel in een lagere dosis dan bij een algemene anesthesie. De patiënt is dus buiten bewustzijn, maar intubatie is niet nodig. Het onderzoek duurt 15 tot 30 minuten, en de patiënt moet meestal slechts een halve dag in het ziekenhuis blijven. Na het onderzoek heeft hij vaak last van een opgezwollen buik, maar die klacht vermindert snel door gassen te elimineren.





Dit artikel kwam tot stand met medewerking van dr. Catherine Reenaers (CHU van Luik).




Terug