
Er worden drie grote categorieën geneesmiddelen gebruikt bij de behandeling van de ziekte van Crohn:
- 5-ASA-derivaten en corticoïden om de opstoten (perioden waarin de symptomen zich manifesteren) onder controle te houden.
- immunosuppressiva (afweeronderdrukkende middelen) om nieuwe opstoten en/of complicaties te voorkomen.
- anti-TNF-α-middelen, die vooral gebruikt worden bij ernstige vormen van de ziekte.
5-ASA-derivaten
Deze geneesmiddelen hebben een lokale ontstekingswerende werking en vormen de eerstelijnsbehandeling bij colitis ulcerosa (CU). Ze kunnen ook gebruikt worden bij milde vormen van de ziekte van Crohn. Ze zijn bestemd voor oraal of rectaal gebruik, afhankelijk van de plaats van de letsels.
Corticoïden
Er bestaan twee soorten. "Lokale corticoïden" werken alleen in op het uiteinde van de dunne darm of de dikke darm (colon). "Corticoïden met algemene werking" hebben belangrijke ontstekingswerende eigenschappen. Ze worden oraal ingenomen, maar soms ook intraveneus ingespoten. Lokale corticoïden daarentegen werken alleen in op het uiteinde van de dunne darm en het begin van de dikke darm (colon). Deze geneesmiddelen worden vooral gebruikt bij matig ernstige opstoten en alleen voorgeschreven voor de korte termijn.
Klassieke immunosuppressiva
Immunosuppressiva werken in op het immuunsysteem en verminderen het ontstekingsproces. Ze zijn doeltreffend als langetermijnbehandeling. Er bestaan verschillende soorten immunosuppressiva, waarvan sommige voor oraal gebruik, andere voor intramusculair gebruik.
Wat als die geneesmiddelen niet volstaan?
Anti-TNF-α-middelen worden vooral gebruikt bij ernstige vormen van de ziekte van Crohn. Ze zijn doeltreffend, zowel om de symptomen te verlichten als om een nieuwe opstoot af te remmen. Ze werken op dezelfde manier als de antilichamen die ons lichaam van nature aanmaakt. Ze blokkeren de werking van TNF-alfa, een lichaamseigen eiwit dat het ontstekingsproces in stand houdt.
Er bestaan verschillende types anti-TNF-alfa-middelen. Sommige moet de patiënt zelf onderhuids inspuiten, andere moeten intraveneus ingespoten worden in het ziekenhuis.
Chirurgie
Als de patiënt niet reageert op de behandeling of als er complicaties optreden, kan er ook een chirurgische ingreep overwogen worden.
Dit artikel werd gerealiseerd in medewerking met Prof. Edouard Louis ( CHU Liège) en Dr. Evelien Humblet (ziekenhuis Oost Limburg- Sint Jan)




